Gebruikershandleiding FGDP-50

[MENU] Trigger (padgevoeligheid)

Uit de meegeleverde instellingen kunt u uw favoriete padgevoeligheid selecteren voor het beste speelgevoel. Deze instelling, genaamd 'Trigger', omvat instellingen voor MIDI-verzending/-ontvangst. Dit product heeft 12 trigger-presets. U kunt deze instellingen bewerken en maximaal 50 gebruikerstriggers opslaan.

Een trigger selecteren

1. Druk op het bovenste scherm van de Menumodus op de knop [>] om naar het Trigger-scherm te gaan.

2. Druk op de knop [ENTER] om naar het scherm te gaan om een trigger te selecteren.

3. Gebruik de knoppen [+] en [-] om een trigger te selecteren.

Triggerlijst

Nr.

Triggernaam (Display)

Omschrijving

P01

Normal Tx

Voor alle pads zijn 'VelCurve' en 'ATCurve' ingesteld op 'normaal'. Daarnaast is 'MIDINote' voor alle Pads ingesteld op basis van het GM-drumoverzicht (General MIDI). Deze instellingen zijn bedoeld om een externe toongenerator te bedienen via de MIDI-verzending van dit product.

P02

Loud1 Tx

Voor alle pads zijn 'VelCurve' en 'ATCurve' ingesteld op 'Loud1'. Voor alle pads is 'MIDINote' ingesteld op basis van het GM-drumoverzicht (General MIDI). Deze instellingen zijn bedoeld om een externe toongenerator te bedienen via de MIDI-verzending van dit product.

P03

Loud2 Tx

Voor alle pads zijn 'VelCurve' en 'ATCurve' ingesteld op 'Loud2'. Voor alle pads is 'MIDINote' ingesteld op basis van het GM-drumoverzicht (General MIDI). Deze instellingen zijn bedoeld om een externe toongenerator te bedienen via de MIDI-verzending van dit product.

P04

Hard1 Tx

Voor alle pads zijn 'VelCurve' en 'ATCurve' ingesteld op 'Hard1'. Voor alle pads is 'MIDINote' ingesteld op basis van het GM-drumoverzicht (General MIDI). Deze instellingen zijn bedoeld om een externe toongenerator te bedienen via de MIDI-verzending van dit product.

P05

Hard2Tx

Voor alle pads zijn 'VelCurve' en 'ATCurve' ingesteld op 'Hard2'. Voor alle pads is 'MIDINote' ingesteld op basis van het GM-drumoverzicht (General MIDI). Deze instellingen zijn bedoeld om een externe toongenerator te bedienen via de MIDI-verzending van dit product.

P06

Fixed Tx

Voor alle pads zijn 'VelFixVal' en 'ATFixVal' ingesteld op '127'. Voor alle pads is 'MIDINote' ingesteld op basis van het GM-drumoverzicht (General MIDI). Deze instellingen zijn bedoeld om een externe toongenerator te bedienen via de MIDI-verzending van dit product.

P07

Normal Rx

Voor alle pads zijn 'VelCurve' en 'ATCurve' ingesteld op 'normaal'. Daarnaast is 'MIDINote' voor alle pads zodanig ingesteld dat alle nummers opeenvolgend zijn. Deze instellingen zijn bedoeld om de ingebouwde toongenerator van dit product te bedienen vanaf een extern apparaat via MIDI.

P08

Loud1 Rx

Voor alle pads zijn 'VelCurve' en 'ATCurve' ingesteld op 'Loud1'. Voor alle pads is 'MIDINote' zodanig ingesteld dat alle nummers opeenvolgend zijn. Deze instellingen zijn bedoeld om de ingebouwde toongenerator van dit product te bedienen vanaf een extern apparaat via MIDI.

P09

Loud2 Rx

Voor alle pads zijn 'VelCurve' en 'ATCurve' ingesteld op 'Loud2'. Voor alle pads is 'MIDINote' zodanig ingesteld dat alle nummers opeenvolgend zijn. Deze instellingen zijn bedoeld om de ingebouwde toongenerator van dit product te bedienen vanaf een extern apparaat via MIDI.

P10

Hard1 Rx

Voor alle pads zijn 'VelCurve' en 'ATCurve' ingesteld op 'Hard1'. Voor alle pads is 'MIDINote' zodanig ingesteld dat alle nummers opeenvolgend zijn. Deze instellingen zijn bedoeld om de ingebouwde toongenerator van dit product te bedienen vanaf een extern apparaat via MIDI.

P11

Hard2 Rx

Voor alle pads zijn 'VelCurve' en 'ATCurve' ingesteld op 'Hard2'. Voor alle pads is 'MIDINote' zodanig ingesteld dat alle nummers opeenvolgend zijn. Deze instellingen zijn bedoeld om de ingebouwde toongenerator van dit product te bedienen vanaf een extern apparaat via MIDI.

P12

Fixed Rx

Voor alle pads zijn 'VelFixVal' en 'ATFixVal' ingesteld op '127'. Voor alle pads is 'MIDINote' zodanig ingesteld dat alle nummers opeenvolgend zijn. Deze instellingen zijn bedoeld om de ingebouwde toongenerator van dit product te bedienen vanaf een extern apparaat via MIDI.

Als u deze items nauwkeurig wilt aanpassen, kunt u ze voor elke pad bewerken. Bewerkte instellingen kunnen worden opgeslagen als gebruikerstriggers. Zie deze pagina voor details.

Basisprocedure (van bewerken tot opslaan van een trigger)

1. Gebruik de knoppen [+] en [-] om een trigger te selecteren.

2. Gebruik de knoppen [<] en [>] om een item te selecteren, en sla vervolgens op de pad waarvan u de instellingen wilt wijzigen.

Het nummer van de betreffende pad verschijnt in de rechterbovenhoek van het LCD-scherm. Gebruik de [+]/[-] knoppen om de instelling te wijzigen.

Zie Aan MIDI gerelateerde instellingen, Instellingen voor Noot aan/Aftertouch, Aan Noot aan gerelateerde instellingen, MIDI Aftertouch voor meer informatie over de items.

3. Druk op de knop [<] om terug te keren naar het scherm voor het selecteren van een trigger en druk vervolgens op de knop [ENTER] om naar het scherm gaan voor het opslaan van een gebruikerstrigger.

4. Gebruik de knoppen [+] en [-] om het triggernummer (U01–U50) te selecteren dat de opslagbestemming is.

5. Druk op de knop [ENTER] om het bewerkingsscherm voor de triggernaam weer te geven. De cursor verschijnt aan de linkerkant van de triggernaam.

6. Bewerk de triggernaam.

Gebruik de knoppen [<][>] om de cursor te verplaatsen en vervolgens de knoppen [+][-] om een teken op de cursorpositie te selecteren. Herhaal deze stappen om de naam af te maken. Zie deze pagina voor meer informatie.

7. Nadat u de triggernaam hebt bewerkt, drukt u op de knop [ENTER] om het bevestigingsscherm weer te geven voordat u opslaat.

U kunt hier op de knop [EXIT] drukken om deze handeling te annuleren.

8. Druk nogmaals op de knop [ENTER] om de gebruikerstrigger op te slaan.

'Saving...' wordt weergegeven en na enkele ogenblikken wordt 'Completed' weergegeven om aan te geven dat de gebruikerstrigger is opgeslagen.

OPMERKING

  Gebruikerstriggers (U01–U50) kunnen worden opgeslagen in de hoofdmap van een USB-flashstation. Zie de paragraaf over [MENU]File voor meer informatie.

  De bewerkte status van de momenteel geselecteerde trigger blijft behouden wanneer het apparaat wordt uitgeschakeld, zelfs als deze niet als gebruikerstrigger is opgeslagen. Zie deze pagina voor meer informatie over welke items hun instellingen behouden, zelfs als de stroom wordt uitgeschakeld.

Aan MIDI gerelateerde instellingen

Deze uitgebreide uitleg komt overeen met Stap 2 van de 'Basisprocedure'.

U kunt instellingen configureren die verband houden met MIDI-berichten die worden verzonden of ontvangen wanneer een pad wordt bediend. Standaardwaarden zijn uniek voor elke trigger.

Item (Display)

Omschrijving

Instelbereik

MIDICh

Afkorting voor 'MIDI-kanaal'.

Stelt het MIDI-kanaal in voor MIDI-berichten die worden verzonden of ontvangen wanneer de betreffende pad wordt gebruikt.

1–16

MIDINote

Afkorting voor 'MIDI-nootnummer'.

Stelt het MIDI-nootnummer in voor MIDI-berichten die worden verzonden of ontvangen wanneer de betreffende pad wordt gebruikt.

1 (C#-2)–127 (G8)

MIDIRcvPad

Afkorting voor 'MIDI-ontvangstpad'.

Stelt in of wordt aangenomen dat de betreffende pad gebruikt is (On) of niet (Off) wanneer een MIDI-bericht met het MIDI-nootnummer en het MIDI-kanaal van die pad wordt ontvangen.

Off, On

@  

Instellingen voor Noot aan/Aftertouch

Deze uitgebreide uitleg komt overeen met Stap 2 van de 'Basisprocedure'. Standaardwaarden zijn uniek voor elke trigger.

Item (Display)

Omschrijving

Instelbereik

ADGain

Afkorting voor 'A/D-versterking'.

Selecteert 'On' of 'Off' voor nootuitvoer van de betreffende pad.

0–127

@  

Aan Noot aan gerelateerde instellingen

Deze uitgebreide uitleg komt overeen met Stap 2 van de 'Basisprocedure'.

U kunt instellingen configureren die gerelateerd zijn aan Noot aan-berichten wanneer een pad wordt gebruikt. Standaardwaarden zijn uniek voor elke trigger.

Item (Display)

Omschrijving

Instelbereik

NoteOut

Afkorting voor 'Noot-uitvoer'.

Selecteert 'On' of 'Off' voor nootuitvoer van de betreffende pad.

Off, On

VelFixVal

Afkorting voor 'Waarde voor vaste aanslagsterkte'.

Hier stelt u de MIDI-aanslagsterkte in die wordt verzonden wanneer er op de betreffende pad wordt geslagen. Wanneer deze is ingesteld op een waarde tussen 1 en 127, wordt de geselecteerde waarde verzonden als de MIDI-aanslagsterkte voor de betreffende pad, ongeacht hoe hard er op de pad wordt geslagen. Als deze op Off staat, wordt de MIDI-snelheid bepaald op basis van hoe hard op de pad wordt geslagen. De relatie tussen hoe hard op de pad wordt geslagen en de MIDI-aanslagsterkte wordt bepaald door 'VelCurve' (het volgende item).

Off, 1–127

VelCurve

Afkorting voor 'Aanslagcurve'.

Selecteer een Aanslagcurve voor de betreffende pad.

Loud2, Loud1, Normal, Hard1, Hard2, Fix1–5, Spline11–15, Spline21–25, Offset1–5

VelMin

Afkorting voor 'Aanslagminimum'.

Stelt de ondergrens in van de MIDI-aanslag voor de betreffende pad. Hoe zacht ook op de pad wordt geslagen, de gegenereerde MIDI-aanslag komt niet onder deze waarde.

1–127

VelMax

Afkorting voor 'Aanslagmaximum'.

Stelt de bovengrens in van de MIDI-aanslag voor de betreffende pad. Hoe hard ook op de pad wordt geslagen, de gegenereerde MIDI-aanslag komt niet boven deze waarde.

1–127

@  

Aan Aftertouch gerelateerde instellingen

Deze uitgebreide uitleg komt overeen met Stap 2 van de 'Basisprocedure'.

U kunt instellingen configureren die gerelateerd zijn aan Aftertouch wanneer een pad wordt gebruikt. Standaardwaarden zijn uniek voor elke trigger.

Item (Display)

Omschrijving

Instelbereik

ATOut

Afkorting voor 'Aftertouch-uitvoer'.

Selecteert 'On' of 'Off' voor Aftertouch van de betreffende pad.

Off, On

ATType

Afkorting voor 'Aftertouch-type'.

Selecteer of 'kanaal' of 'polyfoon' wordt verzonden als een MIDI-aftertouchbericht voor de betreffende pad.

Channel, Poly

ATPriority

Afkorting voor 'Aftertouch-prioriteit'.

Selecteer of het MIDI-nootbericht voor de betreffende pad wordt uitgevoerd (Low) of niet (High) terwijl de aftertouch van die pad wordt uitgevoerd.

Low, High

ATFixVal

Afkorting voor 'Vaste waarde Aftertouch'.

Stelt de aftertouchsterkte in voor de betreffende pad. Wanneer deze is ingesteld op een waarde tussen 1 en 127, wordt de geselecteerde waarde verzonden als de aftertouch voor de betreffende pad, ongeacht hoe hard er verder op de pad wordt gedrukt. Als deze op Off staat, wordt de aftertouch bepaald op basis van hoe hard de pad verder wordt ingedrukt. De relatie tussen hoe hard op de pad wordt gedrukt en de aftertouch wordt bepaald door 'ATCurve' (het volgende item).

Off, 1–127

ATCurve

Afkorting voor 'Aftertouch-curve'.

Selecteer een Aftertouch-curve voor de betreffende pad.

Loud2, Loud1, Normal, Hard1, Hard2, Fix1–5, Spline11–15, Spline21–25, Offset1–5

ATMin

Afkorting voor 'Aftertouchminimum'.

Stelt de ondergrens in van de Aftertouch voor de betreffende pad. Hoe zacht de pad verder ook wordt ingedrukt, de gegenereerde Aftertouch komt niet onder deze waarde.

1–127

ATMax

Afkorting voor 'Aftertouchmaximum'.

Stelt de bovengrens in van de Aftertouch voor de betreffende pad. Hoe hard de pad verder ook wordt ingedrukt, de gegenereerde Aftertouch komt niet boven deze waarde.

1–127